Terebess Asia Online (TAO)
Index

Home

Nederlandstalige haiku-dichters

 

Frank Berkelmans (1955-2011)

Tussen de oren
wordt hij het eerste kaal
het knuffeldiertje.

Het jaar is voorbij
in elke slag klinkt het mee
een vriend verloren.

Achter veel ramen
knikken de vrouwen hem toe,
bejaardentehuis.

Het gras van vandaag
onder mijn voeten - morgen
staat iemand op mij.

De maan is al vol
grote glanzende ogen
van twee hazen.

De leeuwerik
hij valt en stijgt en valt –
ik volg zijn lied.

 

Gaby Bleijenbergh

Vogels gaan slapen -
in halfschemer verliezen
mensen hun gezicht.

Machtige grijzen
houden de zon gegijzeld
op de langste dag.

Kalm glijdt het water
terug uit golven van zand -
nu wordt het gauw eb.

 

Hermy Blumenthal

Door kale bomen
wandelt de bol-rode zon
een eind met ons mee.

Doodsklokken luiden
onder platgetreden sneeuw
een eerste crocus.

 

Riate Bremer (1931-2012)

zeepbellen –
op de wind zweeft nog even
haar adem

jagend in de wind
de eerste bloesemblaadjes
en sneeuwvlokken

 

Truus de Fonkert (1930-2011)

Voortdurend aanspraak:
in de tas op haar schoot
een draagbaar hondje

De oude mevrouw –
voorzichtig draagt ze
een tasje met niks

Overrijp aan de boom –
de perenkontjes
vol wespenhapjes

Buitenland,
mijn hollandse woordjes
tegen een vreemde poes

Op het tegelpad
vlierbesvogelpoepjes
alsof het feest is

Herfstbladeren –
verrimpeld en vergeeld
waaien ze weg, waai ik weg

 

Jaap de Mol
http://eenmaaldaagseenhaiku.blogspot.nl/

zondagmorgen
een klok helpt mij uit de droom
anderen er in

het eerste licht
voor beweegredenen
nog veel te vroeg

jij kunt me leggen
in stabiele zijligging
maar opstaan moet ik

 

Hendrik Doeff (1777-1835)

春風やアマコマ走る帆かけ船
harukaze ya / amakoma hashiru / hokakebune

Een lentebriesje-
her en der reppen ze zich:
de zeilscheepjes.

稲妻のその手借りたし草枕
inazuma no / kaina wo karan / kusamakura

Laat mij je armen
snel als bliksemschicten, lenen
als hoofdkussen op mijn reis.

 

Anton Gerits (1930-)

een duivenpaar
in een mist van lenteregen
shouder aan shouder

op eigen tijden
breken eikels de stilte
van een leien dak

 

Ria Giskes-Pieters (1943-)
http://tjilp.blogspot.hu/

haar as
in een strooibus - zijzelf
is er niet bij

denkend aan haar
die van stilte hield
hoor ik de regen

voor de spiegel
de glimlach oefenen
van mijn moeder

mijn geboortestraat
alles is kleiner geworden
behalve de boom

slapeloze nacht
eindelijk het lied
van de eerste vogel

na drie dagen
van de voice-mail gewist
zijn laatste woorden

ongerepte sneeuw
op geparkeerde auto's -
alleen daar

na zoveel e-mails
herinner ik me
je handschrift niet meer

de stilte
voor de storm
na de storm

elk pad voert
naar het eind van de wereld
mist

geheven
naar de lentezon
wintergezichten

 

Dorine Haveman
http://haikudorine.blogspot.hu

 

Johanna Hell

Op zachte voeten
vol plannen en duisternis
poes in de kelder

Boven de wolken
op weg naar een herfstig huis
honderden mensen

 

Elsa Hey-de Herder

De shaapscheerder kwam:
het kale schaap staat blatend
naast zijn warme vacht.

Het berijpte riet,
nog even roze bloeiend
in de avondzon.

Koeien in de mist,
hun zwarte logge lijven
drijven traag voorbij.

 

Jeanine Hoedemakers

al stoelen schuivend
tracht hij orde te scheppen
in zijn verwarring.

 

Nanneke Huizinga (1932-)

Boven op de berg
ving ik het lied van de wind
in mijn thermosfles.

Op het vensterglas
draagt elke regendruppel
jemel en aarde.

Verlaten speeltuin -
roerloos hangen de schommels
bowen hun plassen.

Een man en een vrouw -
elk laken dat ze vouwen
brengt hen bij elkaar.

 

Marianne Kiauta

kijk, die olifant
langzaam wordt hij twee hondjes
wolken in de wind

 

Inge Lievaart (1917-2012)

Met elke voetstap
wordt de weg wat langer –
wordt hij wat korter.

onder mijn kijken
groeit een kring in stil water
geheimvol bestaan

diepin nog dat kind
gaande door groen onder blauw
verliefd op het licht

nog houdt het papier
binnen de sleetse vouwen
het handschrift bewaard

Een boot als bodem
tussen hemel en diepte
vastheid die beweegt

 

Wim Lofvers (1930-2007)
http://www.worldhaiku.net/poetry/nl/w.lofvers.htm
Soms weet ik het even, Oudemirdum: BvS Dieuwke Melchers, 2006

op de dakpannen
in de diepste duisternis
winterregen

foar it fresco
krekt nij skildere
- it earste gebed

een esdoornzaadje
in een donkere steeg
- Nieuwjaarsdag

wat een lawaai
maar het betekent lente!
- de roekenkolonie

het koor is weg -
het zingen bleef achter
in de zomeravond

de vogelschrik
voorovergevallen
omarmt de aarde

deze weg voert
naar plekken zonlicht, gejaagd
door wolkenschaduw

November mist
geschreven in het veld
bericht van een mol

al het kleine
onder de sneeuw
is het verdwenen

door het ijs
schieten scheuren zingend
voor ons uit

de rivier zwijgt
de regen spreekt
ik luister

 

Hetty Mulder
http://hetty-mulder.nl/haiku

 

Lucette M. Oostenbroek
Wachtwoorden. De Beuk, Amsterdam 1978.

als ze het konden,
sprongen ze van hun stelen af:
oranje lelies

 

Hans Reddingius

ik kijk achterom
duizenden zonnebloemen
staren mij plots aan

 

Wanda Reumer

In het voorbijgaan
streel ik de rozenmarijn.
Hij antwoordt met geur.

 

Joke Rhebergen-Bolwijn (1933-2012)

De vroege uren

De vroege uren
voor het opstaan
worden langer

trager van doen
leger van woorden
warmer van samen

 

Eveline Rutgers (?-2012)

de onderkant
van de foto afgeknipt –
zo ben je dichterbij

zonder ophouden
gesjirp en vleugelrumoer,
overal pluisjes

 

Adri van den Berg

Ongerepte sneeuw -
alles is nog mogelijik
op Nieuwjaarsmorgen.

Een vierkanje zon
ligt op versleten stoelen
in de wachtkamer.

Stofjes drijven
door een smalle baan van licht
naar onzichtbaarheid. 

Bij de ruïne
een-en-all oor voor de gids
niet voor de leeuwerik.

Achter de duinen
tussen ruisende dennen:
het zeemanskerkhof

 

W. J. van der Molen (1923-2002)
Willem van der Molen

Voor wat wisselgeld
koop ik van een grijze moeder
de stilte in haar hoofd

Een kind op het strand –
angst overspoeld door
uitgelatenheid.

De aantrekkingskracht
van het water dat afstoot
als ik ervoor sta

 

Sari van Hennik-Mosselman (1924-2012)

na de watersnood
boven het verdronken land
de regenboog

morgen is het lente;
jouw ogen zullen nooit meer
de mijne zoeken

ongerepte sneeuw –
bij iedere stap
moet ik iets overwinnen

 

J. C. van Schagen (1891-1985)

Het wijze visje
dat in het natte zand leeft
vindt de zee te groot

windje komt uit zee
strijkt laag door het helmgras
en valt daar in slaap

Verloren duinen
een kindertijd ver in zee
en zo verdwenen

een merel, peinzend
bij een korstje brood op straat
en een kraai pikt het

toen je stamelde
zeide je bijna alles
nu je mooi spreekt - niets

is dat nu alles?
vroeg de verdrietige mens
ja, zei de engel

het papier is wit
dan is er een kleine lijn
het is beslist

de hemel is grauw
zwermen van kleine vogels
ruisen in de vlucht

zachtjes wiegt de tak
de tak voor mijn kleine raam
in de winterwind

Laat over het water
het trekken van vogels naar de nacht
het noorden slaapt al

boven in de es
wemelen veertien blaadjes
het is voldoende

op verre wegen
denderden wagentjes
toen hij een kind was

het oude sjaaltje
waar ze in gestorven is
ligt in het kastje

midden op de stroom
lag een boot stil deze nacht-
dan keerde ze om

na ieder geloven
telkens weer die valse lach
omdat je geloofde

soms is er een wanhoop
als in een radiokastje
een zinloos lallen

wilde ganzen komen over
hoog in de vriesnacht
een kind luistert

je zit te huilen
terwijl je een stuk koek eet
dit blijkt te kunnen

als alle woord faalt
als alle deuren dicht gaan
kom dan met je benen

De regen en wij –
we zeggen elkaar alles
we spreken geen woord

Voorbeeld
ergens moet het zijn
een soort verwilderde tuin
van oude stilte

de boom voor het huis
zacht wazelt hij zijn verhaal
niemand begrijpt het

het heeft geregend
de tuin dampt goede geuren
aarde die verlangt

 

Corrie van Tright (1941-)

liggend op het strand
luister ik naar de branding
intense rust –

op een smal bospad
lopen ze over elkaar
onze schaduwen

met groen plastic
afgerasterde tuinen
ieder voor zich –

langs de kustlijn
in zwarte lavapannen
glinsterend zeezout

in kleurrijke kledij
op weg naar de crematie
zingend en biddend

vol verwondering
kijkt het kampongmeisje op
even raakt zij mij aan

met mijn ogen dicht
luister ik naar het verhaal
van sitar en drums

een maand Toscane
fresco's in de kerken
pijn in mijn nek!

zonsondergang –
het Toscaanse landschap
kleurt okergeel

wind beweegt de boom –
in de palm van mijn hand
valt een rijpe vijg

 

Max Verhart (1944-)

stille zondag
de schaduw van de iep
doet zijn ronde

Vanaf een tak
kijkt de boomvalk mij aan
door mijn kijker.

op het stille plein
beweegt alleen de schaduw
van het ruiterbeeld

donkere wolken
op de balans
een klein tekort

dooi
alle ijspegels
huilen

in de grond
waarom ze vochten
eeuwige rust

elke avond
het geruststellend geluid
van de grendels

bejaardentehuis
de ramen weerspiegelen
het avondrood

voorjaar
twee merels vechten
om mijn tuin

tinnen soldaatjes
de dode en de levende
samen in een doos

zinken munten
de schat van opa
uit de oorlog

lichte sneeuw
de appelboom draagt nu
wat vogels

goederentrein
een vracht sneeuw op weg
naar het zuiden

vergadering
een paar kraaien
op een hek

als verveeld
sluit de uil
één oog

een ijzeren Christus
aan een ijzeren kruis
miezerregen

het bronzen paard
voor altijd op het punt
te gaan lopen

een beetje adem
zweeft weg — gevangen
in een zeepbel 

ik adem
dezelfde lucht in als
die mussen 

voor ik de ganzen
in hun vlucht heb geteld
verschuift het patroon

Gewoon even staan
en kijken naar wat wolken
en zijn met wat is.

Nog voor het riet
zich weer heeft opgericht
buigt het opnieuw

 

Arnold Vermeeren (1959-)
http://shouzhong.wordpress.com/

koude oostenwind –
een blikken stem roept om
dat mijn trein niet komt

 

Jac Vroemen
http://www.jacvroemen.nl/

Meer Haiku’s

wolkenschaduwen
vluchten over de velden
de wind achterna

was dat een engel?
die lichtflits over de tuin –
iemand sloot het raam

vleugelzadendans
onder geurende linden
componeert de wind

duiven koeren Bach
de merels fluiten Mozart -
het lijkt wel lente

praten met de hond
menszijn zeg ik valt niet mee
hij likt zacht mijn hand

zuchtend valt de boom
nog eens gromt de kettingzaag
zo lust ze er meer

een lege hemel
dromen van nieuwe bomen
in mijn oude straat

het oog van de kip
zo scherp als korrels vallen
wordt zacht als ze drinkt

duiker op het dak -
uit de blauwe hemelzee
een schoorsteenveger

hoe mijn oude klok
onverstoorbaar tikkend
stilletjes voorloopt

in het voorbijgaan
waait een dode vleugel op
- wil nog vliegen

in grote stilte
ontvangt het stervende bos
de zure regen

kersen in het gras
merels lieten ze vallen
kevers danken God

je voelt het niet eens
dat torretje op je arm
zijn landing op Mars

slak wil hogerop
een reiger ziet haar zitten
ze komt er heus wel

zoeken naar contact
als in de zandbak vroeger
graven naar je hand

te zwaar voor het gras
een kever vervolgt zijn weg
klimmend steeds lager

zomerochtendvogelzang
een duif koert morse
kortlang kortlang

een vogel fluit
wieweet wieweet
kort is het leven
de dag nog lang

hoor de vinkenslag
vanavond al duizend keer
en duizend keer nieuw!

spannend op de fiets
de zomerrok van vroeger
voor vrouw en wind

fietsende jongen
plotseling harder trappend
om niets, om alles

prentjes in het zand
het maakt geen diepe indruk
vogel te zijn

het heeft gevroren
geluidloos tikt de goudvis
tegen een nacht ijs

een gouden lans staat
staat roerloos in de avondlucht
waar bleef het vliegtuig?

men staat er niet bij stil
het oude joodse kerkhof
achter prikkeldraad

dichtbij de herfstmaan
zoveel verder de sterren
hoever nog van huis?

met plukken gemist
staat zij volop te bloeien
de vergeten bloem

in geur van floxen
badend in septembergoud
verglijdt de zomer
verregenen de rozen
huivert een vlieg in het web

ach kijk dat loopt nog
een hondje op drie poten
en toch gelukkig

zieke bij het raam
duiven zoeven voorbij
en weer de leegte

je bent nog zo klein
toch ligt in die wieg alles
om iemand te zijn

bij de apenkooi
voelen wij ons zwaar gekleed
naakte mutaties

stom staan giraffen
de blik op gaas gebroken
reikend naar verte

haaien achter glas
zwenkend zeezoekend raadsel
naakt te kijk gezet

eenden steken over
de bejaarde wacht nog wat
verkeer trekt weer op

oude man met stok
levenslijn werd stippellijn
elke stap een punt

hier ben ik geweest
zal zo ook het einde zijn
een bekende plaats

zon en regen
ogen rapen het zilver
van oud geluk

was hij daar steeds al
de bloesemende prunus
in het late licht?

zonder vergunning
bouwen de vogels in mei
toch maar weer een nest

gedrup van water
hier in het andere land
zo vreemd vertrouwd

lege tuinstoelen
geesten van voorbije zomer
houden ze bezet

diep in de struiken
stoeien de jonge vogels
de kat mediteert

een merel slaat
geluidloos valt de avond
de tijd tikt weg

vanuit de stilte
op het scherp van zwijgen
te woord gaan of niet

schuimlaag op het strand
alle woorden ooit geschreven
geen woord maar teken

de zon breekt door
op de rand van lucht en water
lekt zilver in zee

je was zo zwijgzaam
maar nu je dood bent vader
kan ik je verstaan

zijn oude vulpen
die maken kon en breken
in de keukenla

moeder in je kist
iedereen liet jij voorgaan
nu stopt het verkeer

ik open haar kast
de tijdgrens overschreden
door lavendelgeur

ze steekt het haar op
een speld tussen de lippen
even lijkt ze jong

o eeuwige sneeuw
niet als sneeuw ben je eeuwig
maar als wit van sneeuw

oude stadsmuur
je vele tinten rood
alleen de tijd

kijk, de aarde zeilt!
de wind hijst bolle wolken
aan hoge bomen

de wolken breken
boven het rivierenland
regent het zonlicht

je was zo zwijgzaam
maar nu je dood bent vader
kan ik je verstaan

 

Gré Wansdronk (1927-)
Rimpelingen, Haiku Kring Nederland (HKN) Bibliotheek, Bredevoort

De dode huismus
al zeven keer vereeuwigd
in de tekenles
.

 

Thea Witteveen (1929-)

Maartse buien -
twee heren in de regen
handen aan de hoed.

deze herfstmiddag
werd de boom achter de boom
plotseling zichtbaar